Examenvragen - Biologie - Arts 2020


Vraag: 1 Arts 2020

Een persoon doet zich pijn aan de hand en trekt zijn hand terug. De afbeelding hieronder toont de verbinding tussen twee neuronen in het ruggenmerg waarlangs impulsen lopen (in de richting van de pijlen) als reactie op deze pijnprikkel. Het axon van neuron 1 loopt naar een spier. Neuron 2 ligt volledig in het ruggenmerg. De cellichamen van de neuronen worden aangegeven door zwarte ovalen. Welke uitspraak is correct?
<A> Neuron 1 is een efferent neuron en neuron 2 is een schakelneuron.
<B> Neuron 1 is een schakelneuron en neuron 2 is een motorisch neuron.
<C> Neuronen 1 en 2 zijn beiden schakelneuronen.
<D> Neuron 1 is een afferent neuron en neuron 2 is een efferent
neuron.

Antwoord: A

Schakelneuronen liggen in het ruggenmerg.
Afferent betekent aanvoerend. Die komen aan in het ruggenmerg.
Efferent is afvoerend. Die vertrekken uit het ruggenmerg.
Antwoord A

Vraag: 2 Arts 2020

De voorlopercellen van erythrocyten (rode bloedlichaampjes) ondergaan een differentiatie, waardoor volgroeide erythrocyten, eens in het bloed, het eiwit hemoglobine niet meer kunnen maken.
Dit is een aanwijzing voor het feit dat erythrocyten...
<A> geen mitochondria/mitochondrium meer bezitten.
<B> geen ribosomen meer bezitten.
<C> geen cytoskelet meer bezitten.
<D> geen lysosomen meer bezitten.

Antwoord: B

Eiwitten ontstaan door overschrijving van mRNA door de ribosomen. De andere antwoorden hebben hier niet rechtstreeks met de eiwitsynthese te maken.
Antwoord B

Vraag: 3 Arts 2020

De teelbal (testis) en de eierstok (ovarium) zijn voortplantingsorganen. Welke van volgende uitspraken is correct als men de teelbal met de eierstok vergelijkt?
<A> De teelbal en de eierstok zijn rechtstreeks, dus zonder fysieke onderbreking, verbonden met hun afvoerkanaal.
<B> In de teelbal gebeurt vanaf de pubertijd de hormoonproductie continu, in de eierstok gebeurt de hormoonproductie alleen als een geel lichaam aanwezig is.
<C> In de teelbal gebeuren vanaf de pubertijd veel meer meiotische delingen dan in de eierstok.
<D> De teelbal en de eierstok zijn opgebouwd uit een dicht netwerk van kronkelende buisjes.

Antwoord: C

A is niet juist: de eisprong is immers een ‘sprong’ van de eierstok in de eileider, er is hier wel een onderbeking.
B: Het gele lichaam ontstaat uit het Graafs follikel en blijft achter na de eisprong. Het maakt onder meer progesteron aan, nodig voor onderhoud van de baarmoederslijmvlieswand. Maar de follikels produceren al oestrogeen alvorens het gele lichaam gevormd wordt, dus B is fout.
C: Juist, er worden dagelijks grote hoeveelheden zaadcellen geproduceerd in de teelballen, ze ontstaan door meiose uit primaire spermatocyten. De eicellenhoeveelheid is maximal bij de geboorte bij vrouwen (maar toch wel zo’n twee miljoen – dat aantal zal afnemen met de leeftijd). Meiose I wordt na de puberteit vervolledigd. Meiose II slechts bij bevruchting van de ene eicel die elke maand vrijkomt.
D: dit is enkel zo voor de teelbal.

Vraag: 4 Arts 2020

Tijdens welke fase van de eerste meiotische deling treedt er crossing-over op?
<A> Tijdens de profase wanneer er niet-zusterchromatiden fragmenten worden uitgewisseld.
<B> Tijdens de metafase wanneer er zusterchromatiden fragmenten worden uitgewisseld.
<C> Tijdens de profase wanneer er zusterchromatiden fragmenten worden uitgewisseld.
<D> Tijdens de metafase wanneer er niet-zusterchromatiden fragmenten worden uitgewisseld.

Antwoord: A

Sommigen zullen misschien gedacht hebben dat de crossing-over gebeurt wanneer de homologe chromosomenparen naast elkaar liggen in het evenaarsvlak, in de metafasem maar het is wel degelijk in de profase.
Zusterchromatiden liggen op hetzelfde chromosoom, en crossing-over gebeurt tussen twee chromosome.
Antwoord A

Vraag: 5 Arts 2020

Grasparkieten hebben een gele of een witte grondkleur van de veren. De vleugels zijn gevlekt of ongevlekt. Wanneer van deze soort een homozygoot gele parkiet met gevlekte vleugels gekruist wordt met een witte parkiet met ongevlekte vleugels, ontstaan altijd gele parkieten met gevlekte vleugels. Welke van de onderstaande kruisingen levert het grootste aantal witte parkieten met gevlekte vleugels op in de F1?
<A> Als een homozygoot gele parkiet met ongevlekte vleugels gekruist wordt met een witte parkiet met ongevlekte vleugels.
<B> Als een homozygoot gele parkiet met ongevlekte vleugels gekruist wordt met een witte parkiet met gevlekte vleugels.
<C> Als een gele parkiet met gevlekte vleugels - van wie de vader wit was en ongevlekte vleugels had - gekruist wordt met een witte parkiet met ongevlekte vleugels.
<D> Als twee parkieten worden gekruist die allebei heterozygoot zijn voor zowel lichaamskleur, als voor vlekken op de vleugels.

Antwoord: C

Uit de gegevens leiden we af dat gevlekt en wit dominant zijn.
Stel G: geel, g: wit en V: gevlekt, v: ongevlekt.
GGVV x ggvv geeft altijd GgVv: geel en gevlekt.
A: GGvv x ggvv geeft enkel Ggvv: alle geel, dus geen
B: GGvv x ggVV geeft enkel GgVv: alle geel, dus geen
C: GgVv x ggvv geeft 50% gg en 50% Vv, gecombineerd is ¼ wit en gevlekt
D: GgVv x GgVv: geeft 25% gg en 75% gevlekt (VV en Vv), gecombineerd ¼ * ¾ = 3/16. Dit is minder dan 1/4e (4/16e).
Antwoord C

Vraag: 6 Arts 2020

Voor een gen dat bij de mens voorkomt bestaan er vier verschillende allelen: a, b, c en d.
Welke stelling is correct betreffende de expressie van deze allelen binnen één individu?
<A> Allelen a, b, c en d komen tegelijkertijd tot expressie in alle lichaamscellen.
<B> Sommige lichaamscellen brengen allelen a en c tot expressie, andere lichaamscellen brengen allelen b en d tot expressie.
<C> Allelen a, b, c en d komen alleen in homozygote genotypes tot expressie in lichaamscellen.
<D> In lichaamscellen komen maximaal 2 verschillende allelen van dit gen tot expressie.

Antwoord: D

In lichaamscellen komen maximaal 2 verschillende allelen van dit gen tot expressie en in alle cellen zijn deze dezelfde.
Antwoord D

Vraag: 7 Arts 2020

Sommige onderzoekers beweren dat door op jonge leeftijd zeer intensief te turnen en te trainen er een compressie kan ontstaan van de actieve groeizones (groeischijven) van lange beenderen, waardoor de lengtegroei verstoord wordt.
De actieve groeizones (groeischijven) van lange beenderen bevinden zich in…
<A> de uiteinden van de schacht van zowel volgroeide, als onvolgroeide lange beenderen.
<B> de uiteinden van de schacht van onvolgroeide lange beenderen.
<C> het centrale deel van de schacht van zowel volgroeide, als onvolgroeide lange beenderen.
<D> het centrale deel van de schacht van onvolgroeide lange beenderen.

Antwoord: B

De groeischijven liggen aan de uiteinden van de lange beenderen. Hier wordt uit kraakbeencellen bot gevormd. Tijdens de puberteit stimuleren oestrogeen en testosteron de groei(spurt).
Na de puberteit verharden de groeischijven en zijn ze niet meer actief.
Antwoord B

Vraag: 8 Arts 2020

Tijdens een wielerwedstrijd van om en bij de 250 km maakt één van de renners geen tijd om eten en drinken aan te nemen bij de bevoorradingsplaatsen.
Welke uitspraak is correct met betrekking tot de hormonenconcentratie in het bloed van deze renner tijdens de laatste 10 km van de wedstrijd?
De concentratie aan … (1) is verhoogd, terwijl de concentratie aan … (2) is verlaagd.
<A> insuline (1) - adrenaline (2)
<B> insuline (1) - glucagon (2)
<C> glucagon (1) - insuline (2)
<D> adrenaline (1) - glucagon (2)

Antwoord: C

Aangezien er grote behoefte aan suikers zal zijn, zal er onder invloed van glucagon in de lever glycogeen in glucose omgezet worden, dat in het bloed vrijkomt en in de spieren kan verbrand worden. Dus glucagon is verhoogd. Maar er zal nog weinig resterend glycogeen zijn, en het suikergehalte van het bloed lag. Het insulineniveau, wat door een hoger suikergehalte van het bloed verhoogd wordt, zal dan ook laag zijn.

Vraag: 9 Arts 2020

Een onderzoeker onderwerpt een onbekende stof aan enkele experimenten om te bepalen over welke koolstofverbinding het gaat. Eerst brengt hij een beetje van de stof in water en ziet dat de stof volledig oplost. Daarna analyseert hij de stof op de aanwezigheid van zwavel en stikstof en beide resultaten zijn negatief.
Over wat voor een stof gaat het hier?
<A> Triglyceride
<B> Monosaccharide
<C> Eiwit
<D> Nucleïnezuur

Antwoord: B

Een triglyceride is een vet. Het lost nagenoeg niet op in water. A is fout.
Een eiwit bevat altjd N, het is immers onderdeel van de peptidebinding. Dus C is fout. Soms bevat een eiwit ook zwavel (zie bvb. Bij zwavelbruggen). Cysteine en methionine zijn de twee natuurlijk voorkomende aminozuren die zwavel bevatten.
Bij een nucleotide bevatten de baseringstructuren stikstof. Dus D is fout.
Dus antwoord B. Monosacchariden, enkelvoudige koolhydraten bestaan, zoals de naam koolhydraat impliceert, uit C, H en O.

Vraag: 10 Arts 2020

Het hieronder afgebeelde stukje mRNA heeft twee startcodons, waardoor vanaf dit mRNA twee verschillende polypeptiden worden gevormd. Elk staafje (wit of zwart ingekleurd) stelt een nucleotide voor.
Polypeptide 1 start met methionine en het codon dat hiervoor codeert, wordt aangegeven door de zwarte driehoek. Polypeptide 2 start ook met methionine en het codon dat hiervoor codeert, wordt aangegeven door een witte driehoek. Hier doet zich een verschuiving voor in het afleesraam. In polypeptide 1 is het zevende aminozuur van links alanine (in vet aangegeven). Welk codon codeert voor dit alanine in polypeptide 1?
<A> GCA
<B> GCC
<C> GCG
<D> GCU

Antwoord: A

mRNA wordt inderdaad van 5’ naar 3’ overgeschreven.
Met de Universele Genetische Code erbij, zien we dat alanine als codons GC* heeft, waarbij * eender welk van A, U, C of G kan zijn.
Glycine: GGU, GGC, GGA of GGG
Lysine: AAG
Het zal de combinatie van de GG van glycine met de A van lysine zijn die overeenkomt met het codon voor alanine, dat dan GCA zal zijn.
Antwoord A

Sirtaqi
©2017-2021 SIRTAQI